Hoe
werkt een DEC?
Alle
dierproeven met gewervelde dieren moeten ethisch getoetst worden door een
dierexperimenten commissie (DEC). Onderzoekers vullen daarvoor een uitgebreid
formulier in waarin precies omschreven staat het doel van de proef, de wetenschappelijke
en maatschappelijke relevantie van de proef en hoe de proef zal worden
uitgevoerd. De wet op de dierproeven schijft verder voor dat de volgende
informatie aan de DEC wordt verstrekt:
de deskundigheid van degene die de opzet
en uitvoering van de proef bepaalt;
door wie of door welke commissie de
wetenschappelijke kwaliteit is beoordeeld;
de argumentatie waarom de vraagstelling
niet met minder of anders dan met behulp van proefdieren kan worden beantwoord
(3V's);
de motivering van de keuze van de soort en
het aantal proefdieren;
de herkomst van de proefdieren;
de beoogde behandeling en verzorging
(inclusief huisvesting) voor, tijdens en na de proef alsmede de deskundigheid
van de hiermee belaste personen;
de aard, de frequentie en de duur van de
ingrepen waaraan het dier wordt onderworpen;
de mate van ongerief dat de proefdieren
(mogelijk) wordt berokkend;
de (eventuele) toepassing van verdoving of
pijnstillende middelen en andere methoden ter vermijding van ongerief;
of een dier eerder is gebruikt voor een
proef;
of en zo ja, op welk moment, besloten
wordt over te gaan tot verantwoord doden van de betrokken proefdieren alsmede
de methode die daarbij wordt toegepast;
de uiteindelijke bestemming van het dier
na de proef.
Op
basis van deze gegevens beoordeelt de DEC
of het ongerief voor de proefdieren verantwoord is in het licht van het
belang van de proef. Ook wordt gelet op de 3V's (vervanging, verfijning en
vermindering van dierproeven) en legt in het advies vast hoe dit eventueel
beter kan worden bereikt. De DEC legt het oordeel vast in een advies. Alleen
wanneer het advies positief is, kan een dierproef worden uitgevoerd.